Een hoogvlakte strekt zich voor ons uit: groots, leeg, imposant en stil. Heel stil. Precies waar ik naar verlang: rust. Maar in mijn ooghoek stuitert iets met hoge frequentie op en neer in een plas, luid schaterlachend en niet van plan ook maar even stil te staan; het is onze bijna tweejarige dochter. Scandinavische stilte, kan dat ook met dreumes?
Tekst en beeld: Anna van Yperen | Leestijd: 8 minuten
1 augustus, hartje zomer. Wanneer we met de trein aankomen op Finse, midden op de Noorse hoogvlakte, slaat een gure wind ons om de oren. Onze donsjassen komen nu al van pas! Een berghotel staat aan de andere kant van het spoor en we besluiten binnen een kijkje te nemen. Nog even naar een wc die je gewoon kunt doortrekken en waar je je handen met warm water kunt wassen en dan de vidda op! Trots dat onze dreumes zelf wil lopen, en met uitpuilende rugzakken zetten we de eerste stappen van onze trektocht dwars over de Hardangervidda.
Zodra de zandweg overgaat in een wandelpad, merken we meteen dat dit terrein een uitdaging is voor onze dochter, die minder dan een jaar geleden haar eerste stapjes zette. Ze struikelt voortdurend over de vele stenen waaruit het wandelpad bestaat. Noorse wandelpaden zijn vaak oneffener dan die in de Alpen, en ook op onze route blijkt dat het geval. Bezorgd over een fikse valpartij én – toegegeven – denkend aan onze geplande kilometers, besluiten we haar in de rugzak te zetten. Ze vindt het geen probleem, zolang we maar liedjes zingen. Of beter gezegd, dat ene liedje, het Noorse Schaapje, schaapje, heb je witte wol. We zullen het nog vele malen zingen.
Na een uurtje lopen besluiten we een tentplek te zoeken. Echt zoeken is het niet, de Noorse vidda barst van de vlakke stukken en er is overal stromend water. Met een briesje en temperaturen rond de tien graden is het wel fris, dus proberen we een plek uit de wind te vinden. Dat lukt en niet veel later staat de tent en eten we onze droogvoermaaltijden, aangevuld met pasta voor onze dochter. Daarna is het dreumesbedtijd. Terwijl ik buiten de bordjes schoonmaak, worden in de tent de matjes uitgebreid als springkussen getest. Daarna volgt het pyjama aantrekken, tanden poetsen, boekje lezen, met knuffel ‘broer konijn’, net als thuis. Even later kruipt mijn man de tent uit, ‘zo, die slaapt’. We nippen in alle rust aan een beker warme chocolademelk. Wat een rijkdom, zo met zijn drieën op pad door de prachtige Noorse natuur!
Ik tuur in de verte. De wind jaagt een aantal grijze wolken langs de hemel. Ik rits mijn donsjas dicht, trek mijn buff verder over mijn oren en krijg dat gevoel dat ik zo vaak heb als ik in de Noorse bergen ben: kwetsbaarheid. Het is hier zo leeg, zo groots, zo ruig. In de Alpen zijn bijna overal boerenschuren te vinden waarin je bij nood kunt schuilen. Hier niet, of je moet er 15 kilometer voor lopen, wat over de Noorse paden al snel gelijkstaat aan zo’n vijf uur. Ook kun je op de vidda niet even afdalen naar de beschutting van bomen, want die zijn er simpelweg niet. De verantwoordelijkheid voor ons mini-teamlid maakt dat ik me nog kwetsbaarder voel. Is deze tocht wel zo’n goed idee?
In gedachten loop ik onze voorbereidingen nog eens langs: we kozen een route met meerdere uitvalswegen en inkortmogelijkheden. We hebben eten voor vier dagen mee, hoewel de eerstvolgende hut met bevoorrading als dagtocht staat beschreven (maar wel een van tien uur). We hebben kleding mee voor alle weersomstandigheden, inclusief twee reserve sets voor onze dochter en een extra slaapzak. Daarnaast hebben we veertig luiers bij ons, genoeg voor anderhalve week. We weten nog niet hoeveel dagen we onderweg zullen zijn, maar wel dat we nergens mogelijkheid hebben om extra te kopen. We lazen tochtverslagen, de weersvoorspelling voor de eerste vijf dagen is stabiel, familie is ingelicht en een noodbaken binnen handbereik. Vóór de komst van onze dochter maakten we vele trektochten met tent, en ook met haar erbij maakten we al enkele wandelingen met overnachting. Maar nog nooit planden we een tocht van een week waarbij het middelpunt twee tot drie dagen lopen van de dichtstbijzijnde uitvalsweg lag…
De volgende ochtend hebben we twee uur nodig om te ontbijten en alles in te pakken. Onze dreumes zetten we in de rugzak. Mijn schouders piepen en kraken. Met 25 kilo is de tas zwaarder dan de aangegeven maximale belading. Aangezien het pakvolume erg weinig is omdat de ukkepuk zelf de meeste ruimte inneemt, hebben we meerdere droogzakken – op ingenieuze wijze – aan de buitenkant van de tas vastgesnoerd. Ik ontkom er niet aan dat een flink aantal kilo’s ver van mijn rug zit. Geen aanrader.
Na een uur houden we pauze, tot grote vreugde van onze dochter én onze schouders. We eten wat, en zodra we verdergaan valt ze meteen in slaap in de tas. We voelen ons de koning te rijk: een weids landschap, geen mens te bekennen, hier en daar een beekje en tevreden geronk op onze rug. Wat een vrijheid.
Na een stuk lopen, een fijne pauze waarin we de voeten afkoelen in ijskoud water en nog eens een stuk lopen, vinden we een fantastische tentplek, al is het water wat ver en slechts een dun stroompje – opmerkelijk op de waterrijke Hardangervidda. Vader en dreumes gaan steentjes gooien, ik ‘kook’. Na het eten blazen zij de matjes op, ik ruim op. Iedereen doet iets. Dan is het bedtijd. Het gaat wederom soepel: even later ligt onze geluidsbron te slapen. Het is doodstil. Windstil zelfs. Zonder bomen of struiken ritselt er niets, en het kleine waterstroompje is te ver weg om te horen. Oorverdovende stilte – echte Scandinavische rust.
Tijdelijk dan. Zodra wij zelf ook de tent in kruipen, wordt onze dochter wakker en besluit dat het tijd is voor een speelkwartier in de tent. We hopen vurig dat dit impliciet betekent dat het na een kwartier automatisch weer stil wordt... Tja. De uitleg dat de middernachtzon nooit ophoudt met schijnen maar het wel degelijk nacht is, blijkt voor dovemansoren.
Na een wat korte nachtrust is de lucht strakblauw als we wakker worden. We ontbijten, verzamelen steentjes in het meegenomen emmertje en genieten. Na vertrek wordt het terrein al snel ruiger met sneeuwvelden en rotsblokken. Prachtig, hier klopt mijn hart sneller van! Maar met onze zware en kostbare bepakking vordert het maar langzaam.
Op een gegeven moment bestaat het pad uit een halve meter brede strook aan blokken, met aan de ene kant een diep meer en aan de andere kant een steile rotswand omhoog. Voorzichtig balanceren we erlangs, zonder natte voeten te krijgen. Maar als ik zie wat ons daarna wacht, zakt de moed me in de schoenen. Een steil sneeuwveld met overhang over het meer scheidt ons van het vervolg van het pad. En er is geen alternatief. Er is een pad uitgesleten door de wandelaars voor ons; de eerste meters bestaan uit een soort trap. Daarna wordt de helling minder en gaat het pad schuin omhoog tot aan het volgende blokkenveld. Een afstand van ongeveer twintig meter. Een glijpartij eindigt met een plons in het koude meer. Brrr... ik moet er niet aan denken wat de gevolgen daarvan kunnen zijn. We twijfelen en overleggen. We besluiten het te proberen. Met de ervaring van eerdere NKBV-cursussen in gedachte begin ik aan deze ellendige twintig meter. Ik zet één stap, sta stil, verplaats beide wandelstokken en plant die stevig in de sneeuw. Weer een stap, en tik-tik met de stokken.
Langzaam groeit het vertrouwen: de sneeuw is zacht genoeg, mijn voeten houden grip, de stokken doen hun werk. Ik kijk niet op of om. Na iets wat veel te lang voelt, staan we aan de andere kant. Pfff... wat een opluchting! In de tochtbeschrijving werd niets gezegd over technisch terrein, laat staan over steile sneeuwvelden. We hopen vurig op niet nog meer van dit soort verrassingen.
’s Middags vinden we wederom een prachtige tentplek, dit keer onder toeziend oog van machtige rotspartijen én een aantal schapen dat ons geluidloos aanstaart. Als ik Schaapje, schaapje, heb je witte wol inzet, springt onze dreumes enthousiast bij. We krijgen zowaar antwoord aan het eind van het liedje: ‘beeeeehhh!’ blaat het vierbenige drietal terug. Het kleine geluk is groots.
We doen uiteindelijk vier dagen over de ‘dagetappe van tien uur’. Vroeger had dat me gefrustreerd: ik wil altijd door, nieuwsgierig naar het volgende dal. Maar onze lijven én onze ukkepuk hebben deze tijd nodig. En het blijkt zo gek nog niet. In plaats van in één dag door dit schitterende landschap te racen, brengen we er drie nachten door. We doen iets wat ons zonder kind nooit lukte: stoppen en de tent opzetten terwijl de dag nog lang niet voorbij is. Niet de tijd, maar de plek is nu doorslaggevend.
De dag erna is het nog een klein stukje naar de eerste hut. Wegens onvoorspelbaar slaapgedrag van onze kleine tochtgenoot kiezen we ervoor om in onze tent naast de hut te overnachten. Tot onze verbazing blijkt de voorraadkast geen havermout te bevatten, en omdat onze dochter het knäckebröd niet krijgt weggekauwd, hebben we even lichte paniek over hoe we haar de komende dagen voldoende eten kunnen geven. We worden gered door een huttenwaard die haar privévoorraad havermout met ons deelt.
Deze tocht blijkt zoveel meer dan een wandeltocht waarbij onze dochter als passagier achterop zit. We passen ons op vele fronten aan, maar dat gaat bijna moeiteloos. Overdag wandelen we wanneer zij slaapt of aangeeft in de tas te willen zitten. Haar bedtijd werkt het best een stuk later dan thuis, maar in ruil daarvoor slapen we (meestal) uit. Onze pauzes gaan op aan steentjes stapelen, bessen plukken, in plassen stampen, schapen zoeken, handjes schoonvegen, luiers verschonen, insecten bestuderen, en ga zo maar door. Haar favoriete knuffel, het vaste bedtijdboekje en het emmertje vervullen een cruciale rol in de dagelijkse routines, maar verder biedt de natuur zelf oneindig vermaak. Het is zwaar, de tassen snijden in onze schouders, de zak met gebruikte luiers wordt alleen maar groter en zwaarder. Wanneer wij moe gewandeld zijn, ontwaakt onze dreumes net uit een heerlijk slaapje en is ze volledig opgeladen voor uren speelplezier, en het slapen met papa en mama in de tent heeft duidelijk een onweerstaanbare aantrekkingskracht tot het uitvoeren van acrobatische acts midden in de nacht. Maar met elk dagdeel dat voorbijgaat, ontstaat er meer en meer een familiebubbel. De telefoons staan uit om batterij te besparen: geen e-mails, geen deadlines, geen appjes, geen nieuwswebsites...
We maken ons alleen maar druk om het weer, eten, de vorderingen, elkaar. De oneindige hoogvlakte met haar ruige rotspartijen en gletsjers is de stille getuige van ons kleine familiegeluk.
We lopen nog drie dagen over de vidda. Dit laatste stuk heeft geen technisch terrein meer, maar een goed beloopbaar pad, en de kilometers vliegen onder onze voeten vandaan. De laatste nacht slapen we in een grote hut en laten we ons verwennen met het daar geserveerde driegangendiner. De nacht bevestigt een van de redenen waarom we liever in onze tent slapen: onze dreumes wordt meerdere keren huilend wakker. De volgende ochtend doet de natuur een duit in het zakje om onze stemming te versterken: het is grijs en grauw en het regent als we de laatste kilometers naar de weg lopen om daarvandaan een bus te pakken terug naar de bewoonde wereld. Alsof de natuur aanvoelt dat we nu al vol weemoed zijn naar de fantastische ervaring van deze tocht. Wat was het een succes! Takk for turen!
Wil je ook met een dreumes een trektocht op de Noorse hoogvlakte maken? Zorg voor een plan B en C (terrein en weer kunnen voor vertraging zorgen), en neem mee: genoeg warme kleding, essentieel voedsel voor de kleine, te veel luiers, een communicatiemiddel in geval van nood en geen bereik, en laat verder zoveel mogelijk gewicht thuis.
Nieuwsgierig naar meer: onze avonturen zijn te volgen via Instagram @frilufts_life.