Ik kijk stiekem uit naar onze eerste nacht op de Grande Traversata delle Alpi, het getrommel van de regen op het zeil, Oggi’s diepe kreun wanneer ze zich omdraait, tegen me aan komt liggen en me half van mijn matje duwt. En ’s morgens, veel vroeger dan nodig, haar natte snuit in mijn gezicht duwt: jij ook buongiorno, gaan we weer?
Tekst en beeld: Fleur Jongepier | Leestijd: 8 minuten
De Grande Traversata delle Alpi (GTA) is een lange-afstandswandeling van ruim 1000 kilometer door Piëmont. Hij begint in de buurt van de Nufenenpas op de Zwitsers-Italiaanse grens en eindigt bijna aan de Middellandse Zee. Om de GTA integraal te lopen heb je zo’n vijfenvijftig dagen nodig, maar die heb ik niet. Ik heb er ongeveer tien. Ik kan dus een hap uit de GTA nemen. Maar welke?
Eigenlijk wandel ik liefst zo hoog mogelijk, boven de boomgrens, met plukjes sneeuw om me heen, waar het zicht volledig open is. En het liefst forse afstanden en hoogtemeters. Toch wordt het een heel andere tocht: lager en trager. We starten in Molini, en eindigen – noodgedwongen – in Carcoforo.
Sinds Oggi (Italiaans voor ‘vandaag’) er is, wandel ik zelden nog alleen. Ik weet niet meer hoe. Hoe deed ik dat toch, ergens hondloos aankomen, zonder me unheimlich te voelen? Ik ga met Oggi, zoveel is duidelijk. Alleen: ze lijdt aan epilepsie en door de medicatie die ze daar sinds een half jaar tegen krijgt, heeft ze beperkte energie. 900 hoogtemeters blijkt op dag één al te veel. En dus omarm ik slow hiking, zij het noodgedwongen. Ik neem de tent mee, zodat we overal kunnen stoppen. Ik pak mijn aquarelspullen in, zodat ik kan schilderen terwijl zij powernapt. Het wordt een tocht die me uitnodigt om op een andere manier in de bergen te zijn dan ik gewend ben.
Het doel van dag twee is het oorspronkelijke doel van dag één: Bivacco Amedeo Pirozzini. Je weet het nooit met Italiaanse bivacchi: soms kom je aan in een zwijnenstal, soms in een sprookje. Deze valt in de laatste categorie, gelukkig, want we zullen er vanwege de onophoudelijke regen de volgende 24 uur moeten blijven. En ik geniet ervan. Ik geniet ervan om de hele dag thee te zetten, wat hout te hakken, te schilderen, een boek te lezen en uit het raam te kijken terwijl grijze suikerspinwolken om de dennenbomen dansen.
De volgende ochtend is het droog, en alles ruikt fris en heerlijk. Ik geniet van het uitzicht op Val Grande, waar mijn eigen huisje ergens staat, waar ik vanaf mijn slaapkamer precies de bergkam kan zien waar we nu zijn. Wat verder, bij Lago di Ravinella, maken we de volgende pitstop. Ik vis mijn verfspullen uit de tas en merk hoe fijn het is om in de buitenlucht te schilderen. Ik vertraag en kijk met meer aandacht om me heen. Het begint me te bevallen, dit langzame lopen. Ik hoef niet ver, niet hoog, niets specta-culairs. Ik hoef alleen maar hier te zijn.
Vanaf het meertje lopen we naar de pas, het hoogste punt van de dag. Ik vang voor het eerst weer een beetje 4G op uit de lucht en check snel het weerbericht. Er is nu onweer, staat er. Terwijl ik me daarover verbaas, begint het plotseling flink te donderen. Onweertechnisch bevinden we ons op een bijzonder matige plek, dus maak ik me snel uit de voeten. Oggi weet gelukkig mijn draf bij te benen. Ondertussen komt de mist omhoog en heb ik moeite het pad te zien. Terwijl ik afdaal, sta ik erbij stil hoe wonderlijk de bergen toch zijn. Het ene moment werpen ze je een lieflijk bergmeertje toe, het andere moment laten ze je hart in je keel kloppen.
Natuurlijk is alles weer koek en ei op het moment dat we beneden aankomen in Campello Monti, een charmant oud Walserdorpje. We overnachten in Albergo Nigritella. Het eten is geweldig – iets waar deze etappes van de GTA bekend om blijken te staan. Hoewel we geen grote afstand hebben afgelegd, ben ik stiekem toch best moe. Het gewicht van mijn rugzak is royaal boven de geadviseerde twintig procent van mijn eigen lichaamsgewicht, door alle kampeer-, verf- en cameraspullen, plus tien dagen aan honden- en mensenvoer.
De dag daarna wijk ik wat van de GTA af en loop ik in noordwestelijke richting, gelokt door een meertje naast een bivak-
hut. Bijzonder hoog is het hier niet – de Cima Capezzone is 2421 meter – maar deze vallei is indrukwekkend op zijn eigen manier. Hier is het rustig, weids, weelderig. Dit stuk van Piëmont geniet weinig bekendheid. En inderdaad, het landschap zou niet gauw viral gaan op Instagram. Het zijn geen uitzichten waar direct je mond van openvalt; ze schreeuwen niet om onze oh’s en ah’s. Ze fluisteren zachtjes en kruipen langzaam onder mijn huid. Als de Tre Cime of het Jungfraujoch fastfood is dat direct energie geeft, is dit landschap een grote kom goedgevulde minestrone waar ik nog lang op zal teren.
De wandeling naar boven verloopt niet geheel zonder zenuwen. In dit gebied zijn veel herders met kuddes, en omdat er ook genoeg wolven zijn, hebben de herders allemaal zo’n grote, witte waakhond. Als je zelf met een hond loopt, moet je daarvoor oppassen. Wanneer ik hogerop een kudde met waakhond wil ontwijken, raken we behoorlijk van de route af. We komen op een onverwacht steil stuk, waar ik Oggi zo nu en dan aan haar tuig omhoog moet hijsen (mezelf hardop herinnerend aan het belang van ademhaling). Als we eenmaal boven aankomen, bij een idyllisch meertje naast Bivacco Abele Traglio, is alle stress en ellende alweer een mooie herinnering geworden. Oggi is blij dat ze eten krijgt, ik ben blij dat er weer een paar honderd gram uit de rugzak kan worden verteerd. Ik leun tegen de muur van de hut, zij valt gelijk in slaap met haar hoofd op mijn schoot.
De term slow hiking krijgt stilletjes aan meer aandacht. In een artikel in de Los Angeles Times staan zelfs allerlei praktische tips om langzamer te hiken, zoals: wandel alsof niemand kijkt (niemand op Instagram, niemand op Strava). Maak er bewust werk van om te vertragen. Stop vaak en doe iets (zogenaamd) kinderachtigs, zoals bloemen besnuffelen of dammetjes bouwen. En mijn favoriet: kies de juiste metgezel, zoals ‘een oudere hond die nog mee kan’. Dat Oggi nog geen vier is, slik ik maar even weg.
De volgende dag staan we vroeg op, want ik wil een goed uitzicht boven op de pas. Hoe later we aankomen, hoe groter de kans dat de vierduizenders zich verstopt hebben in de wolken. We zijn op tijd: de Monte Rosa laat mijn mond ouderwets openvallen en ik ben stiekem toch even erg in mijn nopjes met dit spectaculaire alpiene fastfood. Dan beginnen we aan de eindeloze afdaling in de richting van Rimella, waarbij ik de kapitale fout maak om een stuk af te snijden. Het pad bestaat op den duur alleen nog op het schermpje van mijn telefoon en ik baan ons een weg door brandnetels die tot boven mijn knieën komen.
Het is hier werkelijk een wildernis, zo zegt ook de huttenwaard van Rifugio Obru Hüüsch, waar we enigszins afgepeigerd aankomen. De rifugio wordt tutto al femminile gerund door de waard en haar twee dochters. Ik voel me er direct thuis. Ik eet er de beste risotto uit mijn leven: risotto con gorgonzola e amaretti (bitterkoekjes), een lokale specialiteit. Je denkt: bah? Ik ook, maar geloof me, het is waanzinnig.
De overnachtingsplek de dag erna is misschien wel het hoogtepunt van deze tocht, ook al leerde ik gaandeweg door het langzamere tempo minder te denken in termen van hoogtepunten. Maar toch: na een tijd stijgen en de nodige pitstops komen we aan bij Lago Baranca, een ultieme spot om de tent op te zetten. Zodra Oggi het meer ziet, komt haar oude energie weer helemaal terug, en daarmee ook de mijne. Ik schilder het uitzicht op het okergele gras en de lieflijke huisjes van Alpe Selle verderop, terwijl zij door het water springt als een jong hert. Ik maak thee, we kijken naar de kudde in de (veilige) verte, ze komt naast me liggen, valt in slaap. Ik aai haar oren, de zachtste oren die er bestaan, en denk terug aan een half jaar eerder, toen ze aanval na aanval kreeg en ze haar in coma moesten brengen omdat ze de epilepsie niet onder controle kregen. Nu is ze gewoon hier, en ben ik gewoon hier, zijn we samen in de bergen tegen elke verwachting in. Met het beste uitzicht dat er bestaat. Al zou elk uitzicht op dit moment het beste zijn dat er bestaat.
De dag begint met koffie, dan lopen we omhoog naar de Colle d’Egua, waar we (quasi-)wilde paarden tegenkomen. Onderweg naar beneden komen we per ongeluk terecht in een trailrunwedstrijd, en dus slaan we de verleidelijke grote pan polenta bij Rifugio Boffalora, waar het afgeladen vol is, toch maar over. Aangekomen in het schilderachtige bergdorpje Carcoforo twijfel ik: zal ik hier op de camping overnachten of nog een uurtje doorlopen? Ik kijk naar Oggi en besluit tot het eerste. Ik koop een flesje wijn en verse ravioli en kijk in de richting van onze wandeling van morgen en de felroze strepen van de zonsondergang.
Er komt alleen geen wandeling, de dag erna. We zullen niet doorlopen naar Alagna Valsesia. Midden in de nacht begint Oggi te schuimbekken. Terwijl de adrenaline door mijn lijf giert, geef ik haar noodmedicatie. Een volledige aanval blijft uit, maar ik weet dat het foute boel is, dat ze door haar medicatie heen breekt. Het lieve bergdorpje met haar charmante daken is ineens een troosteloos gehucht in the middle of nowhere, zonder trein, zelfs zonder busverbinding. De bergen om me heen zijn ineens guur en onverbiddelijk.
Liftend weet ik een treinstation te bereiken en uiteindelijk aan te komen bij het huis van een vriend. Terug in Nederland krijgt Oggi zwaardere medicatie. Terwijl ze er nog is, glipt ze langzaam van me vandaan. We schuifelen langs het gemeenteplantsoen, meer zit er vaak niet in. De tocht lijkt een wereld van ons vandaan. Terugdenkend aan onze dagen op de GTA, is het moeilijk om niet alleen maar te denken: dat was onze laatste wandeling samen.
En toch, juist daarom, vertik ik het dat dit verdriet onze hele tocht besmeurt. Ik denk terug aan ons dutje onder de waterval, de regen op de tent en haar neus in mijn nek, aan de langzaam kringelende wolken in de prachtigste uithoek van Piëmont. En dan komt er toch een glimlach op mijn gezicht, een zoute glimlach.
Kort na het schrijven van dit artikel is Oggi overleden. De glimlach is er nog steeds.